20 jaar Betanië 5 oktober 2013
Als congregatie hebben we lange tijd gezworen bij onze drie klassieke apostolaatswerken: onderwijs, gehandicaptenzorg en psychiatrie om ze met de oude terminologie te noemen. Dat veranderde in de jaren ’80 toen men dieper ging graven in ons charisma en het leven van onze Stichter Petrus Jozef Triest. Het was ook de tijd dat in onze congregatie de oproep tot aggiornamento heel klaar klonk: vanuit een vernieuwde kennis van onze roots komen tot een scherper stellen van ons charisma, onze eigenheid en van daaruit komen tot een actualisatie van onze apostolische zending. Heel vlug werd duidelijk dat de zorg voor de medemens in het onderwijs, de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg niet aan actualiteit inboetten, op voorwaarde dat we ons bleven openstellen voor hen in nood, voor de armen. Er kwamen brochures over kansarmoede in het onderwijs, over onze zending in de gezondheidszorg vanuit een duidelijke religieuze inspiratie. Wat vroeger evident leek werd nu in vraag gesteld en met duidelijker argumenten onderbouwd. En dat was goed, het maakte ons wakker. Een mijlpaal was wel ons driedaags congres ter gelegenheid van het 175 jarig bestaan van de congregatie in 1982 over de plaats van de religieuzen in de geestelijke gezondheidszorg, waarbij we een ruime bevraging deden in al de Vlaamse psychiatrische instellingen beheerd en bediend door religieuzen over de beheersstructuren, over de rol van de religieuzen in de zorg, over de pastorale zorg. Al deze thema’s werden later via studiedagen en publicaties verder uitgewerkt, en er werd zelfs een hogere kaderschool opgericht om religieuzen en leken te bekwamen in het leiderschap vanuit een duidelijk christelijk denkkader.
U kunt zich afvragen: wat heeft dit met Betanië te maken? Ik zou zeggen: heel veel. Want er waaide een nieuwe wind doorheen de congregatie, en steeds meer kwam de vraag of we naast de klassieke apostolaatswerken, die we probeerden, zoals reeds aangegeven, vanuit ons herontdekt charisma sterker te funderen, ons ook niet moesten openstellen voor nieuwe noodsituaties.
De eerste groep die bij ons kwam aankloppen en die we in aanvang met een voedselpakket opnieuw de straat opstuurden waren de echt materieel armen. Vooral in de buurt van het Guislaininstituut, de gekende Brugse Poort, waren er veel armen. Maar tot nu toe waren we steeds aan hun deur voorbijgegaan, we wisten niet wat zich achter de muren van deze kleine werkmanshuisjes bevond, want onze focus lag op het ziekenhuis en de zorg voor de geesteszieken. Zelfs parochiaal waren we amper actief, we waren een parochie op onszelf. Maar op een morgen vroeg mij een broeder: “Volstaat het deze armen die bijna dagelijks aan de poort van het instituut komen aankloppen voor wat hulp weg te zenden met een voedselpakket? Kunnen we niet méér doen?” Onze reactie was de klassieke reactie van toen: onze verantwoordelijkheid ligt in het ziekenhuis, niet daarbuiten. Maar het was een vraag die terugkwam, en die steeds meer pertinent werd en uiteindelijk zou uitmonden in het openen van een sociaal restaurant, het nu welgekende Huize Triest - Gemeenschapshuis Tabor. Er werd vanuit de congregatie met speciale blikken gekeken naar Huize Triest. Sommigen vonden dat dit het antwoord was voor vandaag en dat we maar beter onze ziekenhuizen en scholen zouden verlaten om ons te wijden aan de opvang van deze sociale armen. Anderen vonden juist het tegenovergestelde en dat dit toch niet in de doelstellingen lag van de congregatie. Maar gelukkig keken de meesten met welwillende ogen, en begreep men al vlug dat we het best spraken over een “en-situatie”: aanwezig blijven in onze gestructureerde apostolaatswerken, deze blijven behartigen vanuit een religieuze bezieling en daar heel open blijven voor de meest behoevenden, voor de kansarmen, maar tegelijk ons ook openstellen voor nieuwe noden. En bij een volgend kapittel werd deze nieuwe visie geformaliseerd en maar werd wel gesteld dat ieder nieuw initiatief zou moeten gedragen worden door een gemeenschap. Eén broeder mocht als het ware een profetisch aanvoelen hebben om naar een nieuwe doelgroep te gaan, maar hij zou dit slechts kunnen verwezenlijken als hij daartoe het mandaat zou krijgen van de gemeenschap waardoor het ook een gemeenschapsproject zou worden, een project van de congregatie en geen buitenbeentje ernaast. We mogen dit als een heel gelukkige formulering ervaren en sindsdien is het deze stelling die steeds gehanteerd werd wanneer er werd en wordt nagedacht om een nieuw initiatief op te starten.
Het initiatief hier in Knesselare en dat we Betanië zouden noemen groeide in deze context, en meer bepaald in het verder verdiepen van onze reflectie over zorg voor mensen met een geestesziekte. Want ook in de geestelijke gezondheidszorg ging men door een ganse evolutie en evolueerde men van een gesloten instelling tot een op de maatschappij gerichte zorg. Van een quasi louter medisch model evolueerde men naar een meer holistische benadering van de zieke, waarbij men de verschillende levenssferen van de mens met verschillende therapeutische insteken ging benaderen: het somatische, het psychische, het sociale, het spirituele en men kwam tot de vaststelling dat ieder mens op zoek was naar evenwicht in deze verschillende dimensies en dat ziekte, in casu geestesziekte heel dikwijls te maken had met het niet evenwichtig kunnen ontwikkelen van de verschillende levensdimensies. Echte genezing zou dan ook steeds met zin te maken hebben: een hervinden van een evenwicht in de verschillende levensdimensies en ook een hervinden in het evenwichtig kunnen omgaan met de verschillende levensterreinen: het wonen, het werken en de vrije tijd, want dikwijls zagen we hoe mensen helemaal in de knoei geraakten juist in deze drie fundamentele levensterreinen.
Voortaan zou men daar in de geestelijke gezondheidszorg meer aandacht aan besteden, en we hebben zelf de laatste 40 jaar deze evolutie mogen meemaken in de psychiatrie, maar tegelijk klonk de vraag, echt vanuit de dagelijkse ervaring in deze psychiatrie, of we geen stap oversloegen en eigenlijk mensen die in een moeilijke levenssituatie kwamen voldoende nabij waren, en zo misschien bij hen een meer pathologische evolutie konden voorkomen? Eigenlijk zouden we mensen moeten kunnen opvangen en begeleiden in hun existentieel lijden en voorkomen dat dit lijden verder zou evolueren en zich manifesteren in een ziekte, een ziekte ofwel op somatisch of op het psychische vlak. Maar daar was er in een psychiatrische instelling geen ruimte, en meer nog, een psychiatrisch ziekenhuis was daartoe niet de geschikte plaats. We zouden een huis moeten hebben waar mensen met hun existentiële problemen terecht konden komen, en een passende begeleiding ontvangen in alle dimensies en terreinen die door het existentiële lijden aangetast waren. Want vlug begrepen we dat het existentiële als dusdanig zich nooit zuiver aanmeldt: het gebruikt als het ware het vehikel van de somatische pijn, van het psychische lijden, van het sociaal geïsoleerd geraken, van het spiritueel verzanden, van het niet meer kunnen zorgen voor het huisgezin, van het verwaarlozen van het werk en het zich verliezen in een ongeordende vrijetijdsbesteding. Aan dat alles zou in ons huis Betanië moeten kunnen gewerkt worden, professioneel, jawel, maar niet louter technisch-professioneel, maar vooral heel warmmenselijk, medemenselijk.
Het waren boeiende momenten wanneer we samen kwamen met een groep noem het gelijkgezinden, maar met verschillende professionele achtergronden, om na te denken over dat existentiële, over de plaats van de religie en het spirituele in het existentiële en de helende kracht die de religie daarin kon brengen. En dan vooral hoe wij als congregatie van de Broeders van Liefde, met onze zorg die steeds vanuit een liefdevolle grondhouding ontstaat, daaraan een extra dimensie zouden kunnen geven.
Betanië werd geboren met een duidelijke visie. Als Broeders van Liefde zouden we allen die kwamen aankloppen met liefde opvangen. De caritas zou er in zijn zuivere vorm moeten beleefd worden als een triade van liefde, compassie en daadwerkelijke hulp. En we zouden het ook aanvullen, vervolledigen met een professionele insteek, waarbij we de verschillende levensdimensies en levensterreinen zouden beogen en zien hoe we via deze invalsweg een handreiking zouden kunnen geven. Dat zou maatwerk vergen. En opnieuw als Broeders van Liefde zouden we een kader creëren, een levend kader van broeders en vrijwilligers, die een tijdlang met de gasten zouden op weg gaan en als een vrij aanbod de gasten de kans zouden geven te delen in de basisstructuur van een religieus gemeenschapsleven: samen bidden, samen eten, samen werken. De religieuze gemeenschap die geen therapeutische gemeenschap is, maar wel therapeutisch effect kan hebben, een kracht kan zijn bij mensen die op zoek zijn naar de zin in hun leven. Betanië moest een huis worden waar de hospitaliteit kon gevierd worden.
We kozen voor de naam Betanië, de plaats waar Jezus tot rust kwam bij zijn goede vrienden Martha, Maria en Lazarus, de plaats ook waar Hij de balsem op zijn voeten mocht ontvangen en waar Hij aan Lazarus nieuw leven schonk. Genoeg elementen die inspirerend zouden zijn voor ons Betanië.
Ik ben blij dat we 20 jaar geleden Betanië mochten helpen realiseren. Vooral ben ik dankbaar voor de mensen die ons daarin geholpen hebben, en ik denk hier speciaal aan Lieven Claeys die als eerste vaste begeleider aan Betanië mee vorm gaf. Daarna werd het Hans Deweirdt, mijn gewaardeerde oud-leerling en nu ook aangesloten lid bij de congregatie, en de broedergemeenschap die inderdaad op een unieke wijze de hospitaliteit beleefde en blijft beleven. Hospitaliteit, hospice, hospitaal: oude termen die vroeger zo goed pasten bij wat we vandaag ziekenhuizen noemen, maar die spijtig genoeg juist die hospitaliteit wat verloren hebben. Misschien is dat wel het unieke en het meest treffende van Betanië: dat mensen er kunnen thuis komen, mensen van alle gezindheden, met een existentieel lijden dat ze op een heel uniek vehikel meebrengen en waarvoor ze hier tijd krijgen om er zicht op te krijgen, om er te leren mee leven, om er opnieuw zin in te krijgen, en om er, desgewenst, ook de zalf van het spirituele op aan te brengen, als wat religie echt moet zijn: heling.
Paus Franciscus heeft de Kerk al een paar keren vergeleken met een veldhospitaal, waar mensen met wonden verzorgd mogen worden. Wanneer hij de Kerk zo ziet, dan kunnen we er ons als Broeders van Liefde bijzonder in thuis voelen, ja, wellicht zitten we dan in het hart van die Kerk, om inderdaad aan gewonde mensen met goede zalf heling te geven en verzachting van de pijn. Ook in Betanië gaat niet iedereen volledig genezen naar huis. Van sommige ziekten en kwetsuren van het leven zal men nooit helemaal en kan men nooit helemaal genezen. Maar men kan wel de pijn verzachten, of extra krachten vinden om met die pijn door het leven te gaan, er ondanks alles toch terug zin in te vinden.
Betanië noem ik graag één van de pareltjes van onze congregatie. En daarmee zeg ik niets negatiefs van onze andere huizen en scholen en voorzieningen. Maar hier mogen we op kleine schaal ons charisma heel intens beleven, met broeders, aangesloten leden, medewerkers en vele vrijwilligers, die allen met hun potje zalf en vooral met zachte hand wonden proberen te helen en pijn verzachten. Vader Triest zou over Betanië zeggen: “Is dat niet voor deze mensen een nieuwe aarde voortbrengen, de zon laten schijnen, hen trekken uit de schoot van de dood en hen nu reeds het perspectief van de verrijzenis laten ervaren”.
Ik heb het allemaal gezegd met een dankbaar hart!
Br. René Stockman, generale overste Broeders van Liefde.



0 comments:
Post a Comment