Wednesday, January 29, 2014

Alles met Gods genade



Wanneer de Engel Gabriël bij Maria binnentrad, begroette hij haar niet onmiddellijk met haar naam, maar met wat haar het meest typeerde: “Vol van genade” (Lc. 1, 28). In Maria leefde Gods genade volkomen, ze was alleen maar genade. Het is vanuit deze overweging dat de Kerk haar de “Onbevlekte Ontvangenis” noemt, vanaf het moment van haar ontvangenis helemaal vervuld met Gods genade, zonder enige zondesmet. God heeft haar voorbereid om Zijn Zoon te ontvangen. Daarom wordt zij ook de nieuwe Eva genoemd, de mens vóór de zondeval, die in totale harmonie mocht leven, helemaal naar het beeld van God dat door God zelf in haar was gelegd. Ook Eva was vol van genade tot het moment dat ze zich door het kwade liet inpalmen en daarmee de volheid van genade verloor. Sindsdien is de volheid van Gods genade niet meer in de mens aanwezig, maar blijft God wel zijn genade aan de mens aanbieden tot we door zijn genade en met zijn genade en opnieuw ten volle vervuld van zijn genade tot Hem mogen terugkeren om in eeuwigheid in Hem te leven.

Maria is de levende icoon van Gods genade en ze toont ons wat Gods genade in een mens kan veroorzaken. Maria kwam volledig open voor Gods Woord, zo open dat dit Woord in haar levend kon worden. Er was geen enkele reserve in haar tegenover Gods liefde: ze was totaal open voor Gods liefde en haar antwoord was totaal. Ook van haar kan gezegd worden: “Maria is liefde”. Op haar zijn de woorden van Paulus heel in het bijzonder van toepassing: “Door de genade van God ben ik wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest” (1 Kor. 15, 10). Alles wat we in Maria zien is vrucht van genade.

Voor mensen van vandaag is ‘genade’ een moeilijk te begrijpen woord. We kennen het begrip in juridische termen: aan iemand genade verlenen. Het komt aan een koning, een president, de paus toe aan iemand genade te schenken, zijn schuld kwijt te schelden. Het is met grote welwillendheid iemand bevrijden van zijn schuld en hem rehabiliteren. Ook van God wordt gezegd dat Hij genadevol neerzag op zijn volk en het bevrijdde. Genade klinkt hier als een gunst, een akte van grote barmhartigheid.

Soms zeggen mensen ook dat het een ‘genade’ is dit te mogen ervaren. Hier klinkt ook reeds de gave door, wat men ontvangt om niet, niet in evenredigheid met wat men eventueel zou kunnen vragen. Wanneer we kijken naar Maria’s genade, en ook de genade die wij van God mogen ontvangen, dan gaat het woord om een gave om niet die een mens helemaal kan omvormen. Alles wat we over de goddelijke genade proberen te weten te komen, zien we inderdaad in Maria. Maria is door God uitgekozen om zijn genade te ontvangen. Ze heeft daar geen enkele verdienste aan. Zij moet er alleen maar voor zorgen dat de genade in haar de ruimte ontvangt om zich te kunnen manifesteren.

Het is volledig Gods initiatief hoeveel genade Hij geeft en aan wie. We lezen in Exodus: “Ik zal mijn genade uitstorten op wie Ik wil, Ik zal mijn barmhartigheid tonen aan wie Ik wil” (Ex. 33, 19). Dat klinkt natuurlijk moeilijk in onze oren want dat lijkt zelfs in te gaan tegen Gods rechtvaardigheid. Is God dan willekeurig in het schenken van zijn genade? Of moeten we het eerder interpreteren dat het volledig in zijn handen ligt, want God weet wat we nodig hebben om in zijn liefde te kunnen leven, en de maat van zijn genade wordt daarop afgestemd. We mogen dus geloven dat de maat van genade dat God ons schenkt voldoende zal zijn om onze roeping als mens volledig te beleven. Aan Maria schonk Hij de volle maat, omdat ze dit ook nodig had om het Woord van God in haar levend te laten worden.

Maria handelt vanuit Gods genade, niet vanuit haar eigen wil of overtuiging. Ze laat alle ruimte voor Gods genade zodat ze de sprong in het onbekende kan maken. Het is Gods genade die haar vertrouwen geeft en ook de kracht om ja te zeggen op Gods uitnodiging. Omdat Maria vol van genade is, wordt ze ook genadevol naar anderen toe. Dat is méér dan een woordspeling. Het is Gods genade die ons omvormt tot genadevolle, barmhartige mensen. Het is via Gods genade in de mens dat zijn barmhartigheid doorheen de mens in de wereld mag verschijnen.

Wanneer we over Gods genade spreken, dan gaat het over die totaal vrije gave van Hem aan ons waardoor we een bijzondere kracht ontvangen en waarbij het onze enige opdracht is op deze genade in te spelen. God weet wat we nodig hebben om ons leven uit te bouwen en schenkt het ons ook als een puur geschenk om niet. Wij moeten er ons voor open stellen, want God respecteert met zijn genade ook onze vrijheid. En we moeten erop inspelen, het echt actief laten worden in ons leven, ons handelen en denken en ons hele zijn daardoor grondig laten beïnvloeden en leiden, het vruchtbaar laten worden. “Inspelen op genade”, om een woord van Abt Louf te gebruiken, is de beste wijze waarop we ons handelen vanuit Gods genade kunnen omschrijven.

Het gaat eigenlijk steeds om drie bewegingen. God is er met zijn liefde en genade voor ons en wij moeten ons openen voor deze grote werkelijkheid in ons leven. God is ons steeds vóór met zijn liefde, en we kunnen er de woorden genade en barmhartigheid aan toevoegen. Ons zijn is wezenlijk verbonden met Gods liefde, het is de reden van ons bestaan. We zijn er, zouden we kunnen zeggen, om door God geliefd te worden. We kunnen dit gemakkelijk belijden, maar we moeten komen om dit ook effectief te beleven, er van te leven. Wanneer dit besef volle realiteit wordt in ons leven, dan zal ons leven grondig veranderen, dan zullen we ons nooit meer alleen voelen, verlaten voelen. God is er altijd met zijn levengevende liefde en het is van daaruit dat we de kracht mogen ontvangen om volop te leven.

In een tweede beweging moeten we deze liefde, deze genade, in ons laten doordringen. We moeten er ons door laten vervullen. Er zit veel in de weg om de genade echt in ons op te nemen. Er zijn de weerstanden die zeggen dat we Gods genade helemaal niet nodig hebben, dat we het allemaal zelf kunnen doen. Dat kan een heel hardnekkig leven in ons leiden, want we hebben van jongs af aan geleerd sterk te zijn, ons sterk te tonen, zelfstandig te worden en van niemand af te hangen. Ik zie bij mijn oude moeder hoe moeilijk ze het heeft om in het rusthuis waar ze nu verblijft haar zelfstandigheid te moeten afgeven en te aanvaarden dat ze heel wat zelf niet meer kan.

Maar er zijn ook de passies die ons voortdurend proberen te overtuigen dat we het ware geluk in ons leven zullen ervaren wanneer we ons door hen laten inpalmen. Ze willen heersen in ons leven, ons vullen en ons de illusie geven ons ook te vervullen. We moeten deze passies de meester blijven, hen een plaats geven in ons leven en het hanteren als krachten, wat ze in wezen ook zijn. Het is met onze passies dat we voor God gaan staan en we laten als het ware Gods genade in onze passies infiltreren omdat ze van binnenuit kunnen omgevormd worden tot positieve krachten. Misschien wordt teveel de nadruk gelegd dat we onze passies moeten onderdrukken zodat ze weerloos worden en hun kracht verliezen. Maar dan onderdrukken we ook de positieve krachten die eruit kunnen groeien.

Wanneer we in een derde beweging zelf actief op weg gaan met Gods genade, wanneer we zullen inspelen op genade, zal het ook en vooral met onze passies zijn. In ons zit de drang, noem het de passie, om te bezitten. Wanneer we deze passie de vrije loop laten, dan zal dit ingevuld worden in het cumuleren van materiële goederen, van geld en allerlei bezittingen. Maar met dezelfde passie kunnen we ook voor God gaan staan om ons door Hem in bezit te laten nemen. Op slag zullen onze wereldse bezittingen relatief worden en worden wat ze echt moeten zijn: middelen om ons leven uit te bouwen en ook de ontwikkeling van het leven van anderen te ondersteunen. Van bezitterige en cumulerende mensen worden we mededeelzame mensen, gepassioneerd om wat we bezitten te kunnen delen met anderen. De zekerheid die we voorheen zochten in onze bezittingen, vinden we voortaan in God. Alles kan ons ontnomen worden, zuchten we met Teresa van Avila, God alleen is genoeg. Dat is de omvorming die Gods genade in ons teweegbrengt wanneer we Gods genade effectief werkzaam laten worden in ons.

Hetzelfde kunnen we zeggen over de passie van de macht, het willen heersen over de anderen. Het is ook de passie die ons stimuleert om zaken aan te pakken, projecten te realiseren, helemaal in lijn van wat we van God als opdracht hebben meegekregen: “Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen” (Gn. 1, 28). Heersen, ja, maar om Gods schepping verder te zetten en als goede beheerders te beheren. Aan de wortel van deze passie knaagt echter het verlangen om onze eigen god te zijn en onze eigen schepper te worden. We eisen het eigenaarschap op van hetgeen we van God hebben ontvangen. En dat heeft gevaarlijke uitwassen die vandaag steeds duidelijker worden en die het leven zelf aantasten. Men gaat het leven manipuleren en het zelfs vernietigen als het niet past in de schepping die men voor ogen heeft. De zogenaamde kwaliteit van het leven krijgt prioriteit over de waarde en de waardigheid van het leven als dusdanig. “De mens schept de wereld en God ziet dat het niet goed is”, zouden we vandaag met het Schriftwoord parafraserend kunnen stellen. Wanneer we ons openstellen voor Gods genade, zullen we opnieuw Gods grootheid in de schepping ontwaren en er Zijn hand in ontdekken. Het is in deze grootheid dat we mogen treden en medeschepper worden en echt gaan delen in Gods grootheid en daarin ook onze ware vreugde vinden.

En met de vreugde komen we bij de derde passie, deze van het verlangen naar genot. Wellicht is nooit dat verlangen zo groot geweest en we zien mensen wild om zich heen grijpen in de hoop het ware geluk te vinden. Maar deze zoektocht loopt op een illusie uit wanneer God uit het vizier wordt gehouden. Pas wanneer we ons laten overweldigen door Gods liefde en zijn genade zullen we gaan beseffen hoe alleen in God de ware vreugde te vinden is, en alle andere vreugde daarin haar oorsprong vindt. Alleen God kan de honger naar genegenheid, naar geborgenheid, naar liefde echt vervullen, en eenmaal vervuld van Gods liefde zullen we gezuiverd naar de ander gaan, zal de begeerte om naar de ander te grijpen om hem of haar te bezitten voor ons eigen genot opnieuw een diep menselijk gelaat krijgen: deze van de gevende liefde als afstraling van Gods liefde die een zich steeds wegschenkende liefde is. En dat zal goddelijk zijn.




Br. René Stockman,
Generale Overste.


0 comments:

Post a Comment