http://www.knack.be/opinie/columns/johan-van-overtveldt/zwaar-geschut-tegen-armoede/opinie-4000226947238.htm
vrijdag 28 december 2012
Le risque de pauvreté est passé de 15,3% à 18,7% chez les moins de 18 ans, en 2005. © Thinkstock
25 tot 30% meer mensen kregen de Vlaamse armoede-organisaties het voorbije jaar over de vloer. Daar wordt een mens stil van in deze periode van eindejaarsfeesten allerhande. De boutade dat men een samenleving herkent aan de wijze waarop ze de minstbedeelden in haar midden behandeld, blijft ook eind 2012 onverkort overeind. Gegeven de barre sociaal-economische vooruitzichten naar volgend jaar toe zou de vraag naar wat we aan die klaarblijkelijke armoede-opstoot kunnen doen, vooraan in de discussies moeten staan.
Het werk dat bijvoorbeeld Netwerk tegen Armoede verricht door, bijvoorbeeld, voedselpakketten en kleding ter beschikking te stellen, is uitermate verdienstelijk en zou ons aller steun moeten genieten. Willen we het probleem van de armoede echter structureel terug indijken, dan dringen zich echter heel andere maatregelen op. Het belang van een job lijkt daarbij van absoluut doorslaggevend belang. Een job is immers de kortste weg naar een inkomen en een menswaardig bestaan.
Voor sommigen zal het allicht weer een doorn in het oog zijn maar ook inzake armoede kan een economische benadering niet enkel verhelderend maar ook oplossing-aanreikend zijn. Een eerste element dat in deze benadering onmiddellijk aan de orde komt is het enorme belang van het onderwijs, vooral op de lagere echelons (alles tot en met 16 à 18 jaar).
Er is een halve bibliotheek aan economisch onderzoek beschikbaar waaruit ondubbelzinnig blijkt dat verhoogde en verbeterde inzet van onderwijs in de aanvangsfase van het leerproces van doorslaggevend belang is voor de latere jobkansen. Het zou dan ook maatschappelijk bijzonder contraproductief zijn verder te beknibbelen op onderwijs. Even contraproductief is het evenwel de huidige onderwijsstructuren zomaar onaangetast te laten. De levenslange benoeming, bijvoorbeeld, lijkt in functie van de noodzaak aan kwaliteitsvol en zich snel aanpassend onderwijs niet zo evident meer te zijn.
Een beter en intenser onderwijs onderaan de leerladder moet er voor zorgen dat ook onze minder bedeelde medemensen met meer jobkansen op de arbeidsmarkt komen. Naast de aanbodzijde van het verhaal is er echter ook een vraagluik. Anders uitgedrukt: onze arbeidsmarkt zou ook veel meer mensen moeten kunnen absorberen. Het is compleet fout te denken dat de vraag naar arbeid een vast gegeven is. De organisatie van de economie en vooral van de arbeidsmarkt bepaalt of een zeker productievolume binnen die economie met, bijvoorbeeld, 10% méér of 10% minder werkenden wordt gerealiseerd.
Onze huidige arbeidsmarktorganisatie is vooral gericht op de bescherming van de insiders, zij die reeds een job hebben. De hoge ontslagvergoedingen en de koppeling van de lonen aan de index van de consumptieprijzen zijn twee typische uitingen van die insiderbescherming. Hoge ontslagvergoeding zullen (tot op zekere hoogte) job-beschermend werken maar leiden er in ieder geval toe dat bedrijven veel aarzelender omgaan met mogelijke aanwervingen dan indien die vergoedingen lager zouden zijn.
Spelen de hoge loonkosten ons over de hele lijn parten om tot hogere graden van tewerkstelling te komen, dan is dat zeer uitgesproken zo voor de minder ervaren en minder opgeleide mensen. Zij zijn het makkelijkst via rationalisering, robotisering en automatisering te vervangen. Wat in België op grote schaal gebeurt met onder meer toenemende armoede als gevolg.
Ook méér dan het overwegen waard in het kader van de strijd tegen structurele armoede is het verhogen van het fiscaal vrijgesteld minimum, zijnde het gedeelte van het inkomen uit arbeid waar men geen belasting op betaalt (te plafonneren naar hogere inkomens toe). Het effect op het netto beschikbaar inkomen stijgt bij een dergelijke ingreep vooral voor de laagste loontrekkers (zij die het dichtst tegen de armoedegrens aanleunen). Blijven de uitkeringen ongewijzigd dan zal de financiële aantrekkelijkheid van werken ook verder toenemen. Dit klinkt absoluut niet populair – de afstand tussen inkomen uit arbeid en vervangingsinkomen neemt dan immers toe (echter niet door de vervangingsinkomens te verlagen) – maar ook inzake armoedebestrijding dringen zich soms niet populair ogende maatregelen op.
Johan Van Overtveldt
Het werk dat bijvoorbeeld Netwerk tegen Armoede verricht door, bijvoorbeeld, voedselpakketten en kleding ter beschikking te stellen, is uitermate verdienstelijk en zou ons aller steun moeten genieten. Willen we het probleem van de armoede echter structureel terug indijken, dan dringen zich echter heel andere maatregelen op. Het belang van een job lijkt daarbij van absoluut doorslaggevend belang. Een job is immers de kortste weg naar een inkomen en een menswaardig bestaan.
Voor sommigen zal het allicht weer een doorn in het oog zijn maar ook inzake armoede kan een economische benadering niet enkel verhelderend maar ook oplossing-aanreikend zijn. Een eerste element dat in deze benadering onmiddellijk aan de orde komt is het enorme belang van het onderwijs, vooral op de lagere echelons (alles tot en met 16 à 18 jaar).
Er is een halve bibliotheek aan economisch onderzoek beschikbaar waaruit ondubbelzinnig blijkt dat verhoogde en verbeterde inzet van onderwijs in de aanvangsfase van het leerproces van doorslaggevend belang is voor de latere jobkansen. Het zou dan ook maatschappelijk bijzonder contraproductief zijn verder te beknibbelen op onderwijs. Even contraproductief is het evenwel de huidige onderwijsstructuren zomaar onaangetast te laten. De levenslange benoeming, bijvoorbeeld, lijkt in functie van de noodzaak aan kwaliteitsvol en zich snel aanpassend onderwijs niet zo evident meer te zijn.
Een beter en intenser onderwijs onderaan de leerladder moet er voor zorgen dat ook onze minder bedeelde medemensen met meer jobkansen op de arbeidsmarkt komen. Naast de aanbodzijde van het verhaal is er echter ook een vraagluik. Anders uitgedrukt: onze arbeidsmarkt zou ook veel meer mensen moeten kunnen absorberen. Het is compleet fout te denken dat de vraag naar arbeid een vast gegeven is. De organisatie van de economie en vooral van de arbeidsmarkt bepaalt of een zeker productievolume binnen die economie met, bijvoorbeeld, 10% méér of 10% minder werkenden wordt gerealiseerd.
Onze huidige arbeidsmarktorganisatie is vooral gericht op de bescherming van de insiders, zij die reeds een job hebben. De hoge ontslagvergoedingen en de koppeling van de lonen aan de index van de consumptieprijzen zijn twee typische uitingen van die insiderbescherming. Hoge ontslagvergoeding zullen (tot op zekere hoogte) job-beschermend werken maar leiden er in ieder geval toe dat bedrijven veel aarzelender omgaan met mogelijke aanwervingen dan indien die vergoedingen lager zouden zijn.
Spelen de hoge loonkosten ons over de hele lijn parten om tot hogere graden van tewerkstelling te komen, dan is dat zeer uitgesproken zo voor de minder ervaren en minder opgeleide mensen. Zij zijn het makkelijkst via rationalisering, robotisering en automatisering te vervangen. Wat in België op grote schaal gebeurt met onder meer toenemende armoede als gevolg.
Ook méér dan het overwegen waard in het kader van de strijd tegen structurele armoede is het verhogen van het fiscaal vrijgesteld minimum, zijnde het gedeelte van het inkomen uit arbeid waar men geen belasting op betaalt (te plafonneren naar hogere inkomens toe). Het effect op het netto beschikbaar inkomen stijgt bij een dergelijke ingreep vooral voor de laagste loontrekkers (zij die het dichtst tegen de armoedegrens aanleunen). Blijven de uitkeringen ongewijzigd dan zal de financiële aantrekkelijkheid van werken ook verder toenemen. Dit klinkt absoluut niet populair – de afstand tussen inkomen uit arbeid en vervangingsinkomen neemt dan immers toe (echter niet door de vervangingsinkomens te verlagen) – maar ook inzake armoedebestrijding dringen zich soms niet populair ogende maatregelen op.
Johan Van Overtveldt



0 comments:
Post a Comment