Thursday, January 24, 2013

Een spiritualiteit van het kleine




Januari 2013 - 72



Op een examen ontvingen studenten in de verpleegkunde 10 vragen. Er werd wel even gezucht. De tiende vraag luidde: “Hoe heet de dame die onze klassen schoonmaakt?” Velen moesten het antwoord schuldig blijven en één van de studenten durfde het zelfs aan om te vragen of deze laatste vraag wel ernstig moest genomen worden. De leerkracht nam de gelegenheid te baat om er een bedenking bij te formuleren: “In de uitoefening van ons beroep mag niets of niemand ons te min zijn. Zelf zullen we het kleinste en eenvoudigste werk moeten waarderen en steeds het eenvoudigste werk van anderen waarderen.” De les was begrepen, en achteraf waren vele studenten maar blij dat de laatste vraag slechts voor een tiende van de punten meetelde.
Wat heeft dat verhaal met spiritualiteit te maken? Alles.
Spiritualiteit gaat inderdaad samen met ons zoeken naar God, met het stilstaan bij de zinvragen in ons leven, maar zal zich moeten uiten, uitdrukken, in de wijze waarop we met anderen omgaan, de wijze waarop we onze dagelijkse opdrachten vervullen.
Spirituele leiders hebben er steeds voor gewaarschuwd dat spiritualiteit levensecht zou zijn, geen apart leven zou leiden, geen sausje over ons echte leven zou zijn, maar ons leven zou doordringen. Anders wordt spiritualiteit een karikatuur van wat het zou moeten zijn.
In deemoed neerknielen voor God en Hem onze liefde verklaren als antwoord op zijn onvoorwaardelijke liefde, maar hoogmoedig voorbijgaan aan de kleine mens die we op ons pad ontmoeten of meewarig neerkijken op de eenvoudige taken die we te vervullen hebben omdat ze ons als het ware minderwaardig lijken voor het spirituele leven dat we willen leiden, is een vloek binnen het spirituele leven.
Hier kunnen we wat leren van de monniken en de monialen die de volstrekte harmonie hebben gevonden tussen het gebed en de handenarbeid en alles gaan zien als “opus Dei”, zowel het gebed aan God gewijd als het werk aan de mens gewijd, omdat ze God ontmoeten zowel in het gebed als in de arbeid. Voor hen is het liefdesgebod realiteit geworden: iedereen in liefde voor God ontmoeten en alles in liefde voor God vervullen.
Enige tijd geleden was ik op bezoek in één van onze grotere psychiatrische inrichtingen. Men had er de voorbije jaren grote inspanningen gedaan om het geheel goed te organiseren, te structureren en behoorlijk uit te bouwen. Het resultaat mocht gezien worden. Er was nu ook een kwaliteitscoördinator aangesteld en die moest zorgen dat er ook kwaliteitsvol werd gewerkt. Bij zijn bevragingen viel het hem op dat de patiënten het vooral hadden over details: de hoeveelheid en de afwisseling in de voeding, de tijd die de verpleegkundigen voor hen maakten, de regeling rond de bezoekuren, enz. Kwaliteit laat zich niet vatten in grote structuren, maar uit zich in details. Het deed me denken aan Vincentius a Paulo die heel veel energie stak in het organiseren van de armenzorg, maar tegelijk er steeds over bleef waken dat hij contact hield met de concrete armen, hij wou hun gelaat blijven zien. En wanneer hij een beschrijving geeft van goede zorg, valt het op met hoeveel aandacht hij de details beschrijft. Wat geldt voor het leidinggeven en het organiseren, geldt ook voor de spiritualiteit. Die wil zich niet vastzetten in een theoretisch concept, in mooie beschouwingen, maar wil zich uiten in het dagelijkse leven, in de meest dagdagelijkse taken die men te vervullen heeft en in de omgang met hen met wie we het leven delen.
Hier blijven de woorden van Johannes nazinderen: “Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief’, maar zijn broeder haat, is hij een leugenaar” (1 Joh. 4, 20). God laat zich juist vinden in de medemens en wil speciaal aanwezig zijn in de kleinste onder de medemensen: “Al wat gij gedaan hebt voor één dezer geringsten van mijn broeders, hebt gij voor Mij gedaan” (Mt. 25, 40).
Het zijn met deze goddelijke raadgevingen dat we ons leven spiritueel moeten uitbouwen zodat het spirituele alle lagen van ons leven doordrenkt. Dan wordt spiritueel leven een vol leven en heeft het met het volle leven te maken.
Het is deze grondhouding die bij heiligen zichtbaar wordt. Ik neem één voorbeeld: de heilige Maximiliaan Kolbe. In het concentratiekamp koos hij ervoor om zijn leven op te offeren voor een voor hem onbekende medegevangene. Hij liet zich treffen door de noodkreet die deze laatste uitriep wanneer hij werd aangeduid om te sterven: “Mijn kinderen”. Kolbe kon zijn oren niet sluiten voor deze kreet, ook al had hij daartoe de mogelijkheid. Maar in deze kreet hoorde hij een uitnodiging om echt medemens te worden van deze vreemdeling en in navolging van Christus heel ver te gaan in deze medemenselijkheid. “Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden” (Joh. 15, 13). In één moment was er bij Kolbe een grote transformatie gebeurd: hij had het gebod van de naastenliefde en het voorbeeld gegeven in de parabel van de barmhartige Samaritaan geradicaliseerd. Deze medegevangene, die vader was van een gezin, was zijn medemens geworden en opgenomen in de kring van zijn vrienden: voor hem werden alle limieten opgeheven. Kolbe deed dit niet om voor zijn edelmoedigheid geprezen te worden of in de hoop daarmee ooit heilig verklaard te worden. Hij wist dat hij een anonieme dood zou sterven om daarna met die vele andere naamloos geworden doden verast te worden, letterlijk in de rook op te gaan.
Wat is onze uiteindelijke motivatie wanneer we kleine daden van naastenliefde stellen? We doen het om geprezen te worden, om waardering te ontvangen, omdat we als een goed iemand willen gezien worden, om op deze wijze onze eeuwige zaligheid veilig te stellen. Het zijn allemaal motieven die natuurlijk in zich niet verkeerd zijn, maar toch de zuiverheid van onze naastenliefde aantasten. Onze enige motivatie zou moeten zijn: ik doe het voor deze concrete medemens die op mijn weg passeert en in wie ik het gelaat van de Heer mag ontdekken.
Velen van ons hebben dit uitzuiveringsproces nodig, moeten deze zuivering door. In één van de punten die Flor Hofmans aanhaalde hoe we Jezus in zijn liefde kunnen navolgen, klonk het: “Helemaal in het verborgen een kleine dienst verrichten”. Het is de kleine weg die Teresia van Lisieux ging en daarmee een revolutie ontketende in de wereld van de spiritualiteit. Wanneer we de biografieën doornemen van gelovigen die vóór Teresia werden heilig verklaard, valt het dikwijls op dat het mensen waren met heel sterke godservaringen, die er strenge boete- en vastenpraktijken op nahielden, die de kracht bezaten om te genezen, te profeteren, groot bekeringswerk te verrichten of die uitmunten in grootse werken van naastenliefde. Bij Teresia is er niets van dit alles, alleen maar het steeds dieper beleven van die paradox van het evangelie die Paulus zeer kernachtig uitdrukte: “Als ik zwak ben, ben ik sterk” (2 Kor. 12, 10). Eigenlijk heeft Teresia heel consequent de grote paradox van de incarnatie beleefd: God die zijn grootheid verlaat om daar op dat onooglijk plekje in Israël mens te worden en er het menszijn op een goddelijke wijze gaat beleven en voorleven. En Jezus gaat de weg van alle mensen. Hij wordt opgevoed, Hij leert een beroep en voor een heel korte periode trekt Hij rond om aan de medemensen rondom Hem Gods visie op de mens te verkondigen. En ook dat doet Hij met grote aandacht voor de mens die Hij ontmoet: de zieke, de verlamde, de blinde, de zondaar, …  Hij geneest hen door zijn volle aandacht aan hen te schenken. “Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen, want aan hen die zijn zoals zij, behoort het Koninkrijk Gods” (Lc. 18, 16). Iedere genezing voltrekt zich nadat Jezus de persoon die voor Hem staat, strak in de ogen kijkt: de anonieme mens wordt zijn medemens die op de eerste plaats komt. En dan kan het wonder geschieden!
Terugkijkend naar Teresia: zij ging haar kleine weg in de gesloten karmelgemeen­schap en dat voor slechts een korte tijd, en bij haar vroegtijdig sterven vroegen medezusters die met haar geleefd hadden zich af wat er over haar te zeggen viel. Ze was helemaal niet opgevallen maar had “helemaal in het verborgene kleine diensten verricht”. Ze had als geen ander de paradox van het evangelie beleefd: “Wie de grootste wil worden, moet de kleinste zijn” (cfr. Lc. 9, 48).
Een echt spiritueel leven vraagt dat we afdalen in onze dagelijkse realiteit en daar proberen God te zoeken, te vinden en te beminnen in de mensen die we er ontmoeten en met wie we leven en in de activiteiten die we te verrichten hebben. Het is ook het nu-moment meer bewust gaan beleven zonder te veel in het verleden te blijven hangen of overbekommerd met de toekomst bezig te zijn. Te veel energie wordt daaraan opgeofferd: bekommernissen voor wat allemaal in de toekomst verkeerd zou kunnen lopen. Ik las onlangs nog: veel lijden ontstaat uit vrees voor toekomstig lijden dat ons zou kunnen overvallen maar dat eigenlijk nooit komt.
Mensen die hun focus richten op het hier en nu zijn mensen die vrede hebben genomen met het verleden en die met vertrouwen de toekomst tegemoet zien. De grote constante in hun leven wordt Gods liefde: mogen beseffen dat God er altijd is en er altijd zal zijn met zijn liefde, gelijk wat er met ons ook mag gebeuren. Wanneer dergelijke visie realiteit mag worden in ons leven, dan is dat een verademing, dan valt veel onnodige balast van onze schouders. En dan komt veel energie vrij om in het nu te leven. Want vandaag is het de dag van het heil.
Br. René Stockman,
Generale Overste.



0 comments:

Post a Comment