september 2013 - 80
Als mens zijn we met zovele zaken bezig. We worden verdeeld, opgedeeld, opgeëist door zovele verplichtingen. Er is het gezin, het werk, de opvoeding van de kinderen, de relatie met onze vrienden en zelfs de zogenaamde vrije tijd kan een eis worden. Als grote klacht klinkt dat we zo moeilijk tot rust kunnen komen, zowel inwendig als uitwendig. Wanneer we mensen ontmoeten dan klinkt als een der eerste vragen: “Wat doe je in het leven?” De mens wordt getaxeerd op zijn daden, op zijn prestaties. In de maatschappij ben je iemand wanneer je diploma’s kunt voorleggen, een goed gevuld curriculum en wanneer je een bepaalde positie vervult in die maatschappij. Bijna nooit wordt de vraag gesteld: “Wie ben je eigenlijk?” En zelfs als deze vraag zou worden gesteld zullen de antwoorden heel dikwijls in de richting van het doen gaan. We zijn het zo gewoon geraakt ons “zijn” met ons “doen” in te vullen. “Ik ben wat ik doe”, klinkt het dan. Niemand zal zich in het hoofd halen de vraag te stellen hoe het zit met zijn relatie met God! Dat wordt angstvallig gereserveerd voor de spirituele gesprekken of komt tijdens het sacrament van de biecht ter sprake. Neen, de vraag naar onze relatie met God hoort niet meer tot het dagelijkse leven; het is, om het zonder omwegen te zeggen, een marginale vraag geworden.
Maar misschien is niet alleen de vraag marginaal geworden. Bij velen is ook de relatie met God marginaal geworden, soms zelfs helemaal verdwenen uit het leven, en zij die nog wel over God nadenken en zelfs tot Hem bidden, beschouwen dit als een apart levensterrein dat niets met het dagelijkse leven te maken heeft. En hier knelt juist het schoentje. Met de secularisatie werden God en de wereld als het ware uit mekaar getrokken. Het werd een apartstelling als reactie op de zogezegde naïeve houding om God te betrekken bij alles waarop men geen direct antwoord vond. God was voorheen teveel de “gatenvuller”, de “deus ex machina”, diegene die aanvulde wat we als mens niet of nog niet konden vatten. Hij was ook diegene die heel rechtstreeks strafte wanneer we als mens niet volledig in de lijn liepen die Hij verwachtte. Ziekte, ongeval, natuurrampen werden dan ook heel dikwijls op zijn rekening geschreven. En dat laatste leidt een hardnekkig bestaan, want tot op vandaag wordt de naam van God genoemd wanneer rampen of ziekte ons treffen.
De ganse secularisatiebeweging, reeds ingezet door de Verlichting, heeft verregaande gevolgen gehad naar onze verhouding toe met God. God en de wereld, ze werden duidelijk uit elkaar gehaald, en waar aanvankelijk nog een wederzijdse vrije ruimte naar mekaar toe werd behouden, evolueerde het weldra tot een volledig afwijzen van mekaar. De Kerk reageerde in het begin door het modernisme af te wijzen, maar nu zijn we in een stadium gekomen dat de wereld God afwijst en zich opsluit in zichzelf. God, die eerst nog werd aanvaard als de grote horlogemaker die alles tot stand had gebracht, is nu volledig uit het vizier verdwenen. De mens, zo denkt hij toch, is ontvoogd, maar het is een ontvoogding die tot stand kwam door een vadermoord, en dat is juist het tragische van de zaak.
Vele mensen leven vandaag alsof ze God niet nodig hebben, meer nog, ze wijzen God af omdat Hij diegene is die een beperking zou stellen aan hun absolute vrijheid en zelfbeschikking. En dat is de hedendaagse mens meer dan dierbaar: zijn persoonlijke vrijheid en zijn zelfbeschikking. Ze horen ook wezenlijk bij elkaar: wanneer de mens volledig vrij is te zijn en te handelen zoals hij wil, dan krijgt hij ook de mogelijkheid om als heer en meester over zichzelf te beschikken. Het is een zelfbeschikking die in één beweging zowel God als de medemens uitsluit. Wanneer de mens zijn vader verloochent, dan heeft hij de medemens niet meer als zijn broer of zuster te erkennen.
Voor ons komt het er dan ook op aan de relatie met de Vader te herstellen, waardoor de relatie met onszelf en de medemens grondig zal veranderen.
Wanneer ik God Vader mag noemen, dan zie ik mezelf als zijn kind en zie ik de anderen, doorheen de Vader die we allen gemeen hebben, opnieuw als mijn broers en zusters. Het klinkt eenvoudig, maar het verandert mijn leven en de hele samenleving grondig, fundamenteel. Er zijn vele wegen om tot God te komen, en ieder zal zijn weg wel gaan, maar uiteindelijk komt het erop aan te geloven en te beleven dat God de grond is van mijn bestaan.
Paulus heeft het zo sterk uitgedrukt op de Areopaag in Athene: “Hij is immers niet ver van ieder van ons. Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn; zoals sommigen van uw eigen dichters hebben gezegd: Want wij zijn van zijn geslacht” (Hnd. 17, 27-28).
Het is dit geloof dat we in ons leven vlees en bloed moeten geven, niet als een randverschijnsel in ons leven, maar als grond ervan. “We zijn immers van zijn geslacht”, we zijn van goddelijke huize.
Het geloof in God zal altijd een pure geloofsdaad zijn en blijven, want wanneer we de naam “God” uitspreken, dan staan we voor een leegte, een afgrond, het grote “Niets” zoals God in sommige religies wordt genoemd.
Het Oosten leert ons dat “Niets” naast en tegenover het “Iets” staat en samen eigenlijk de twee grote werkelijkheden vormen van het ganse bestaan. Westerlingen hebben meer moeite met het “Niets” en zijn eerder geneigd om dit “Niets” als niet bestaande in te vullen, als een illusie, waarmee men gewoon geen rekening kan en hoeft te houden.
Wellicht verklaart dit ten dele waarom het godsdienstige meer wezenlijk deel blijft uitmaken van het leven bij de mens in het Oosten dan bij de Westerling. Vanuit de Westerse mentaliteit moet een grotere en zwaardere stap gezet worden om in het “Niets” te treden. Het verklaart eveneens ten dele dat de secularisatie vooral een Westers fenomeen is, zeker zoals ze zich nu voordoet met de volledige negatie van God. “Wat met de rede niet verklaard en begrepen kan worden, bestaat gewoonweg niet”, zongen reeds de tenoren van het Verlichtingsdenken.
Het geloof in een Opperwezen blijft dan ook voor velen een sprong in het duister, een sprong in het redeloze, daar waar het redeneren stopt. Het blijft dan ook moeilijk, quasi onmogelijk, om over God te spreken met hen die alleen nog naar de rede luisteren, naar wat zogezegd redelijk is. Geloven vraagt inderdaad de sprong in het niet-weten, aannemen wat niet met onze zintuigen waar te nemen is, zich in vertrouwen overgeven aan iets dat het wereldse overstijgt. Het geloof dat we een theologale deugd noemen staat nooit alleen; het heeft als het ware de twee andere theologale deugden nodig: de hoop en de liefde. Ons geloof in God vindt een ankerpunt in de liefde tot God welke op haar beurt slechts een antwoord is op Gods liefde voor de mens. Dus de eigenlijke grond van ons geloof in God is niet een onnoembare afgrond, een schrikbarende leegte, maar wel een uitnodigende liefde die we God noemen, die God is. Bij elke sprong in die afgrond worden we opgevangen door God die ons met zijn liefde opwacht, die ons met zijn liefde voor is.
Het “Niets” waar wij voor staan is de God die liefde is, die mij op een heel persoonlijke wijze liefheeft en die met zijn liefde aan de eigenlijke oorsprong staat van mijn bestaan. Dat is de grote werkelijkheid in mijn leven die ik geleidelijk aan mag ontwaren.
In Rome ontmoette ik enige tijd geleden een punkgroep, vier jonge mannen die carrière maakten in de hardrock. Meegesleept door hun succes maar ook deel uitmakend van een heel eigen subcultuur, geraakten ze verslaafd aan de drugs, de alcohol, de vrije seks. Tot ze zich op een bepaalde dag afvroegen wat de zin was van hun leven, want in de dodende kringloop van de verslaving werden ze steeds meer geconfronteerd met die even dodende leegte in hun leven. Ze hadden kunnen doorgaan, zoals vele andere groepen doen. Maar zij besloten een rustperiode in te bouwen, ze zouden zich bezinnen over het verdere verloop van hun leven. Ze zegden hun concerten af en tijdens de bezinningstijd kwamen ze tot een keerpunt. Ze werden geraakt door iets dat ze nog amper konden benoemen, maar ergens voelden ze dat ze geroepen waren tot de onsterfelijkheid, het klinkt zo sterk in het Italiaans: “l’immortalità”. En ze waagden de sprong in de leegte, een leegte die zijn schrikwekkendheid verloor omdat ze er Gods liefde in mochten ontdekken. Ze begonnen opnieuw te zingen, maar ditmaal over de zon, het licht, het echte leven. Ze veranderden hun naam en voortaan zouden ze als “The Sun” op dezelfde tonen blijven zingen maar met een gans nieuwe inhoud.
Het is meer dan verrassend dergelijk bekeringsverhaal van een rockgroep te mogen horen. Maar dat is het juist wat wij goddelijk noemen: God die in de leegte aanwezig is en er aanwezig blijft om zich op zijn tijd te manifesteren, te laten voelen dat Hij er is. Het is alsof Hij de mens een uitgestoken hand reikt, opdat de mens Hem uit de vergetelheid zou trekken. De vier jonge mannen hebben die hand gegrepen en hebben in die leegte die voor hen bodemloos leek, de ware grond van hun leven ontdekt. En ze keerden anders naar de wereld terug, met de voeten in die nieuwe werkelijkheid die ze God noemden, en die hen de ogen opende voor de echte waarde van hun leven dat ze voortaan onsterfelijk konden noemen. Vandaag bereiken ze met hun liederen het hart van vele jongeren die net als zij de leegte in hun leven schrikwekkend vinden en ze reiken hen een hand zoals zij de hand van God mochten grijpen. Ze zingen nu over de hoop, de derde theologale deugd, die aanwezig komt in het leven wanneer we opnieuw het geloof en de liefde mochten ontdekken en ervaren. De heilige Josephine Bakhita, die als jong meisje in Soedan werd ontvoerd en als slavin werd verkocht, vertelde later dat ze voelde dat ze door Iemand werd bemind, ook al kende ze God niet en al had ze nooit over Hem gehoord. God had voor haar nog geen naam, maar in haar grootste verlatenheid voelde ze dat er toch Iemand was die haar niet verliet, die voor haar zorgde, die haar uiteindelijk uit haar verlatenheid zou weghalen. We kennen het verdere verloop van deze eerste Soedanese heilige die als kloosterzuster stierf en met haar leven getuigde hoe God er altijd is, ook al schijnt Hij zo ver weg te zijn, zelfs als we Hem nog geen naam kunnen geven.
Alles begint met God. Hij is echt de oorsprong en de grond van ons leven. Het is een verademing tot dit geloof te mogen komen, en eenmaal door dit geloof gegrepen, kunnen we er niet meer over zwijgen, maar moeten we het uitzingen zoals onze vier jonge mannen van “The Sun”.
Br. René Stockman,
Generale Overste.



0 comments:
Post a Comment